11. Aan de slag!

In dit hoofdstuk duik je nog meer in wereldoriëntatie en in enkele krachtige technieken zoals projectwerk en onderzoek. We plannen samen op jouw maat hoe je je klaswerking zal aanpassen.

Duur

Het duurt gemiddeld 2 uur 30 minuten om de filmpjes te bekijken en de opdrachten te doen.

Materiaal

Leerboekje

W.O.-waaier

Kijkwijzer 'Kwaliteitsvol projectwerk'

Ideaalscenario 'Werkstuk/onderzoek'

Document 'Kleurencodes toekennen'

Korte inhoud

Vijfde voelspriet: het is de bedoeling dat je de minimumdoelen voor W.O. in de vingers hebt zodat je spontane kansen herkent en kan verrijken. De W.O.-waaier is daarbij je instrument. 

Vierde voelspriet: onderzoekjes en projecten zijn de werkvormen bij uitstek om minimumdoelen voor W.O. te bereiken.

Vorig hoofdstuk 

Werken met een soepele leerlijn betekent dat je al gaande en samen met de klasgroep focusdoelen maakt. Die staan in de focus voor elk kind op dat moment. Via formatieve evaluatie check je of kinderen het focusdoel al bereikt hebben en stuur je bij indien nodig.

Filmpje: aan de slag met W.O.

Korte inhoud filmpje: 

Je bent helemaal mee met het cahier W.O.! We zijn bijna aan het einde van de online training. Je mag jezelf echt wel een ervaringsgerichte leerkracht durven noemen. Je merkt ook dat het cahier W.O. veel meer is dan een leerplan: het is echt een manier van kijken, een manier van werken, een spiegel voor je klas en school.

Heel wat principes zijn uiteraard inspirerend voor andere leergebieden zoals rekenen en taal, maar laat ons als laatste nog eens focussen op W.O.  Een zeer belangrijk instrument is de W.O.-waaier. Daarin staan alle ontwikkelingsdoelen en eindtermen in één oogopslag. In je cahier W.O. staan die ook maar in een lange formulering. Het cahier W.O. op zich leent zich niet echt om snel en vlot te gebruiken, maar de bedoeling is net dat je speelt met die ontwikkelingsdoelen en eindtermen. Zo versterk je ook echt die vijfde voelspriet. Daarom is er dus die W.O.-waaier.

Didactisch materiaal: W.O.-waaier

De W.O.-waaier is echt het instrument bij uitstek als je aan de slag wil gaan met het cahier W.O. Het zorgt ervoor dat je vijfde voelspriet ontwikkelingsdoelen en eindtermen op scherp staat én het helpt je om maximaal in het tweede spoor ervaringsgericht werken vanuit de klasgroep te werken. Lees de W.O.-waaier eens volledig door, zo krijg je voeling met de ontwikkelingsdoelen en eindtermen.

64698953_354242155278202_515746861390443

Voorbeelden en gebruikstips

Hieronder vind je enkele tips, foto's en voorbeelden om de W.O.-waaier te gebruiken.

Je kan de mindmap van de W.O.-waaier (blz. 6) voor je houden tijdens een kringgesprek. Op die manier creëer je bij jezelf een alertheid om een vraag van de leerling te verrijken vanuit de ontwikkelingsdoelen en eindtermen.

Je kan de mindmap van de W.O.-waaier (blz.6 of de aparte mindmaps per deeldomein) uithangen in de klas. Zo kan je samen met de leerlingen brede onderzoeksvragen stellen tijdens de ronde, tijdens een werkstuk, tijdens een project,... 

Je kan de mindmap uit de W.O.-waaier (blz. 6) afdrukken, lamineren en uithangen in de klas. Projectnamen schrijf je naast de kernwoorden op de mindmap. Zo zien leerlingen welke thema's al veel aan bod kwamen en welke nog niet. Zo maak je hen mee verantwoordelijk voor hun eigen leerproces.

Je kan de pictogrammen van de W.O.-waaier in de bib of het patrimonium van de klas/school aanbrengen. Zo herkennen leerlingen ook de zes deeldomeinen.

Je kan in het individuele projectboek/onderzoekboek/vrije tekstboek van elk kind achteraan de zes pictogrammen van wereldoriëntatie kleven. Bij elke tekst/onderzoek/project laat je leerlingen - samen of apart - stickers of stempels met het bijhorende pictogram zetten. Achteraan het boek plaats je een streepje bij de bijhorende pictogrammen telkens als een deeldomein aangeraakt wordt in een onderzoek, project of tekst. Zo betrek je hen in het evaluatie- en registratieproces en behoud je zelf het overzicht.

Je kan om de zoveel tijd de ontwikkelingsdoelen en eindtermen (vanaf blz. 8) doorlezen om je vertrouwd te maken met wat er nu precies in die minimumdoelen staat. Je ontdekt zo ook nieuwe kansen om datgene waar de klas op dat moment mee bezig is te verrijken. Let vooral ook op het vetgedrukte woord in de ontwikkelingsdoelen en eindtermen. Dat is de vaardigheid of het beheersingsniveau dat verwacht wordt.

Wereldoriëntatie is om praktische redenen ingedeeld in zes deeldomeinen. Uiteraard streven we naar betekenisvolle taken: gelinkt aan de realiteit, meervoudig, veelzijdig, complex. Dit is ook een pijler in onze Visie op onderwijzen en leren. We tekenden de mindmap dan ook dynamisch: de kernwoorden van verschillende deeldomeinen staan dicht bij elkaar zodat je snel verbanden ziet en gestimuleerd wordt om verschillende deeldomeinen te linken en te combineren. Gewoon, zoals in de echte wereld eigenlijk.

Opdracht: kleurencode toekennen

Je bracht al de vaste werking van je klas in kaart (zie hoofdstuk 6). We zijn nu volop bezig met het aanscherpen van jouw vijfde voelspriet ontwikkelingsdoelen en eindtermen. Op die manier krijgt ook dat tweede spoor mooi vorm.

We verwachten dat je echt speelt met de ontwikkelingsdoelen en eindtermen zodat je ze spontaan kan inzetten in de klas. Maar het is logisch dat ze niet allemaal even sterk in je vingers zitten. Het is daarom belangrijk dat je die minimumdoelen (dat is een verzamelnaam voor ontwikkelingsdoelen en eindtermen) waar je het lastig mee hebt eruit haalt en goed weet waarom je die lastig vindt. We werkten daarvoor een oefening met kleurencodes uit. 

  1. Open het Word-document dat hieronder staat.

  2. Check de vaste werking die je in kaart bracht in je klas (zie hoofdstuk 6). Welke onderdelen van W.O. kwamen weinig aan bod? Misschien een volledig deeldomein? Misschien stukjes uit een deeldomein? Duid die aan in het Word-document.

  3. Neem blz. 6 van de W.O.-waaier met de mindmap. Bij welke kernwoorden voel je paniek of stress? Duid die aan in het Word-document (of verwijder de rest).

  4. In het Word-document kan je nu - voor al die minimumdoelen die je aanduidde - een kleurencode toekennen, die geeft aan waarom je het lastig hebt met dat minimumdoel. Je kan meerdere kleurencodes geven per minimumdoel.

    1. Je zet een kruisje in de groene kolom als je denkt 'Dit minimumdoel voelt voor mij oncomfortabel omdat ik weinig kansen opmerk/zie/voel in de klas om hier ervaringsgericht rond te werken. Er komen moeilijk kansen vanuit de kinderen zelf'.

    2. Je zet een kruisje in de oranje kolom als je denkt 'Dit minimumdoel voelt voor mij oncomfortabel omdat ik niet kan bedenken hoe ik hier naartoe moet bouwen, omdat ik geen tussenstappen of weg ernaartoe zie, omdat ik dit minimumdoel niet goed begrijp of kan vertalen'.

    3. Je zet een kruisje in de rode kolom als je denkt 'Dit minimumdoel voelt voor mij oncomfortabel omdat ik weet dat leerlingen op onze school dit niet bereiken op het einde van het zesde leerjaar'.

​Analyseer de kleurencodes

  1. GROEN

    1. Welk patroon ontdek je? Zijn het doelen in hetzelfde thema, met dezelfde vaardigheid, allemaal kennis,...?​

    2. Brainstorm hoe de vaste werking ervoor kan zorgen dat leerlingen wel onderzoeksvragen stellen rond deze thema’s.

    3. Ervaringsgericht betekent niet per se aangebracht door het kind. Je kan sturen en verdiepen als begeleider, net zoals Jef & Jos. Ervaringsgericht betekent wel complex, geïntegreerd en betekenisvol. Bedenk enkele ideeën of tips voor jezelf om zelf de ervaringscyclus in gang te steken bij de klas voor deze minimumdoelen.

  2. ORANJE 

    1. Welk patroon ontdek je? Zijn het doelen in hetzelfde thema, met dezelfde vaardigheid, allemaal kennis,...?​

    2. Bekijk hoe andere leerplannen opbouwen naar deze (clusters van) eindtermen:

      1. ZiLL van het Katholiek Onderwijs: ontwikkeling van oriëntatie op de wereld

      2. GO!: leerplan wereldoriëntatie voor kleuter en lager onderwijs

      3. OVSG: elke FOPEM-school heeft het leerplan van OVSG nog op school liggen. Via deze link vind je alvast enkele deelleerplannen van OVSG

      4. SLO uit Nederland

    3. Formuleer eventueel zelf een focusdoel (zie hoofdstuk 10) bij deze minimumdoelen.

  3. ROOD

    1. Welk patroon ontdek je? Zijn het doelen in hetzelfde thema, met dezelfde vaardigheid, allemaal kennis,...?​

    2. Bespreek deze info met je cahiercoach. Het is niet jouw individuele verantwoordelijkheid om de eindtermen te bereiken, maar een teamverantwoordelijkheid. De cahiercoach zoekt een gepaste strategie om hier mee om te gaan.

Didactisch materiaal: kijkwijzer 'Kwaliteitsvol projectwerk'

Projectwerk is één van de belangrijkste technieken om in de diepte met W.O. aan de slag te gaan. Het is de werkvorm bij uitstek om een thema te verrijken en open te trekken. Maar een project is meer dan enkele leuke activiteiten of een toneeltje doen. We ontwikkelden een kijkwijzer met reflectievragen. Die helpen je nadenken over de kwaliteit van je projectwerk. Achter ongeveer elke reflectievraag zit een doorkliklink naar theorie, tips of voorbeelden bij die vraag. Je zal ongetwijfeld heel wat bronnen herkennen uit deze online training. LET OP: de kijkwijzer is niet bedoeld als checklist! Het is echt niet de bedoeling dat al die vragen in orde zijn tijdens een project, dat is onmogelijk. Het is wel de bedoeling om je bewust keuzes te laten maken en je even te doen stilstaan bij je projecten.

Didactisch materiaal: ideaalscenario onderzoek/werkstuk

Tijdens de vrije werktijd gaan kinderen - alleen of in groepjes - aan de slag met een eigen onderzoek of werkstuk. Het is een techniek waar ook heel wat wereldoriëntatie aan bod komt. Maar ook hier geldt: het is niet omdat het luid gaat in de klas en kinderen druk in de weer zijn, dat er ook effectief geleerd wordt. We ontwikkelden een ideaalscenario van hoe zo'n onderzoek of werkstuk kan verlopen. De realiteit is natuurlijk veel complexer, maar het geeft ongeveer de richting aan van hoe een sterk onderzoek eruit ziet.

Zwarte vloerlamp

Reflectiemoment

Hoofdstuk 11 is bijna afgerond!

Tijd voor een reflectiemoment.

Neem er je leerboekje bij.

  1. Welke tips of voorbeelden van de W.O.-waaier ga je in jouw klas uitproberen?      Wat is voor jou het meest dringende?

  2. Welke minimumdoelen bleken in de oefening met kleurencodes lastig? Wat was de voornaamste reden? Voor welke minimumdoelen ga je de komende weken extra aandacht hebben?

  3. Welke reflectievraag uit de kijkwijzer 'Kwaliteitsvol projectwerk' is bij jou blijven hangen? Hoe ga je je projectwerk deze week anders aanpakken?

  4. Welke fase uit het ideaalscenario werkstuk/onderzoek vind jij cruciaal? Hoe ga je die de komende weken extra stimuleren in je klas?

Hoofdstuk 11 'Aan de slag' is voltooid! Klik op de pijl om verder te gaan naar hoofdstuk 12 'Afronden'.